Vandaag eindigt ons verblijf op het dak van Ethiopië, de Simien bergen, en nemen we met spijt afscheid van de gezellige lodge, ondanks de electriciteitsproblemen, de afwezigheid van WiFi service en de koude nachten (wél met drie warmwaterkruiken in het bed). Ze beweren hier dat het hele land getroffen is door de stroomonderbreking.
Moeilijk te geloven, maar het staat in de krant. Er zijn drie versies, watertekort aan de waterkrachtcentrales, turbines lopen vast door het vele slib, of de boeren kappen eucalyptusbomen die op de leidingen vallen. Kies er maar een.
We rijden vandaag richting NW naar de eerste hoofdstad van het land, Aksum, gesticht door een zoon van Koning Salomon, kan je nagaan. De weg er naar toe, ruim 300 km, loopt constant door het hooggebergte op hoogtes tussen 3280m en 1600m. Aksum ligt op 2200. De eerste twee uur slingert een smalle grindweg langs diepe ravijnen. De 5 cm dikke bovenlaag van mul stof, wolkt hoog op achter de voertuigen, bussen en vrachtwagens.
Ik gebruik mijn buff als mondmasker, af en toe moeten we stoppen omdat je niets ziet. Bij het kruisen of inhalen moet je gewoon de ogen dichtdoen. Even dan, want het landschap is wondermooi, de uitzichten adembenemend, en de Afrikaanse massage van de rammelende jeep zaligmakend. Wel hebben we geen airco en de raampjes kunnen niet open vanwege het stof, bovendien moet onze driver het zijpaneel demonteren om aan de bedrading van de ramen te kunnen.
Het is zondag vandaag, de mensen lopen langs de straten in witte gewaden, van of naar de kerk. Ze zijn hier echt principieel in hun geloofsbeleving. Gisteren boden we onze scout een deel van de lunchbox aan.
Uit beleefdheid kon hij niet weigeren, maar even later bracht hij toch alles terug. Er zat kaas tussen de sandwich en ook de gekookte eieren mocht hij niet eten vanwege de “fasten”. 55 dagen lang geen dierlijke producten. We hebben nog geen overtreders betrapt en er staan fasten-gerechten op de menukaarten.
We rijden door de Amhara region. De chauffeur mag die mensen duidelijk niet, hij moppert dat ze te veel kinderen hebben en die maar laten rond lopen. Plots steekt een 2-jarig kindje de weg over, we komen slippend tot stilstand. Dat was heel erg nipt. De chauffeur is erg geschrokken en moet enkele minuten bij zijn positieven komen. Hij wil zeker geen kind aanrijden, maar als het gebeurt komt heel de gemeenschap geld vragen, erg veel. Ook voor dieren moet je bij een ongeval flink dokken, of ze gooien de ruiten in of steken het voertuig in brand. Voor een schaap of een geit, 10.000 birr, een ezel zelfs 35.000 birr (1000 Euro). Drie keer wat je op de markt betaalt. En er loopt voortdurend vee over de weg, ezels, runderen, schapen en geiten en later in Sigryia zelfs dromedarissen. Je weet nooit waar zo’n stomme geit naar toespringt, en soms loopt een groep ezels midden tussen kruisend verkeer, alsof ze een eigen middenstrook hebben. Tel hierbij de potholes, de wegverzakkingen, de stenen achtergebleven na een steenlawine, de onberekenbare bajajs en de talrijke checkpoints waarvan je niet weet wie wat zou controleren, en je concludeert dat je hier nooit zelf gaat rondrijden.
Na twee uur grindweg, of stofweg krijgen we vaste grond, tarmac, onder de wielen en begint onze chauffeur het interieur af te stoffen.
We rijden de Tigray regio binnen en maken een stop in Shire. Vanop een terrasje met koffie traktatie, kijken we het straatleven aan. Het valt op hoeveel mensen hier met een geweer rondlopen. ‘Het is een kledingattribuut’, zegt Mesi, ‘hoort bij de lokale outfit’. Nou nou.
Was er op de zondagochtend nog enige activiteit, kafferkoren werd gezift, houtskool geleverd, kerkgang, waterdragen, … vanaf de middag begint de rustdag, het tempo vertraagt, de jeugd troept samen rond de kickertafels, die je in de kleinste, armoedigste dorpen langs de weg ziet staan.
Tigray is echt erbarmelijk dor, de bovenlaag is poreus, zanderig, laat alle vocht door en het landschap verandert in een halfwoestijn. Hier is niets te winnen, de huisjes worden nog armoediger, je ziet hier geen enkele bron van levensonderhoud. Hier moet bittere armoe en honger heersen.
Hier in het noorden zijn honderdduizenden Eritrese vluchtelingen toegestroomd gedurende de oorlog met Eritrea. We rijden langs een voormalig vluchtelingenkamp van de Verenigde Naties, je ziet nog overal de witte plastiek met het blauwe logo, maar de tenten zijn grotendeels vervangen door huisjes (krotten eigenlijk). Ook Noorwegen schoot ter hulp bij de vluchtelingennood en leverde zwarte(!) plastieken tenten in deze zinderende hitte. We rijden langs het gebouw van de ‘Refugee camp and return program administration’. Fotograferen van een vluchtelingenkamp mag niet, ik zou me ook erg generen.
Blij als we eindelijk Aksum binnenrijden, ook al omdat de benzinetank leeg loopt. De weinige stations die we gezien hebben waren gesloten en voor het enige dat open was stonden minstens 100 voertuigen te wachten. ‘Brandstof is schaars’ zegt Mesi, ‘en als ik er geen vind moet ik op de zwarte markt kopen en dat is erg duur. (1 euro per liter).
De helft van het stadsgedeelte dat we te zien krijgen staat in de steigers, overal bouwwerven, en daartussen een laan van bloeiende jacaranda’s en flamboyants. Morgen is het hier een feestdag, de gedenkdag van de slag bij Adwa, de beslissende veldslag van de Eerste Italiaans-Ethiopische Oorlog in 1896. De Ethiopische overwinning voorkwam een poging tot kolonisatie door Italië. Wij bezoeken de resten van de oude hoofdstad.
Dag Pieter en Anita,we volgen jullie met veel interesse en herbeleven de reis die we enkele jaren geleden maakten.Goed dat jullie in de mooie Simien Lodge konden logeren ipv in een hotel in de stad buiten het park! Helaas zonder elektriciteit,maar toch met de warmwaterkruiken.
Geniet van al het moois!
LikeLike