Vandaag terug een korte propeller vlucht naar het zuiden, naar Jinka, in het dal van de Omo rivier. Ik denk niet dat we op de schok voorbereid waren, hoe heet, droog en dor het noorden was, zo vochtig en groen is het zuiden van Ethiopië. Deze streek is eerder subtropisch te noemen, hier valt het hele jaar door wel wat neerslag.
Net vóór de landing van ons vliegtuig heeft het een flinke bui geregend. Gevolg dat de enige toegangsweg naar het luchthavengebouwtje, een flinke schuur, veranderd is in een modderpoel, enkel te bereiken met 4×4. Enkele bajajs, de lokale tuktuks staan daar vastgezogen in de modder en moeten daar, eens de passagiers aan boord, met vereende kracht uit geduwd worden.
Bahabtu, onze chauffeur draagt de bagage zompend door de modder naar zijn wagen. Het moet hier flink geplenst hebben. ‘Jullie hebben geluk gehad’, zegt hij, ‘dat het vliegtuig heeft kunnen landen’. Lijken de onverharde wegen, de huisjes, de handeltjes, de vele schoolkinderen nog armetieriger bij dit soort weer?
Jinka ligt vlakbij de Omo rivier, dicht bij de grens met Zuid-Soedan en Kenia, in de Staat van de Zuidelijke Mensen, State of the Southern People. Het stadje (1200 m) ligt iets ten oosten van het Ethiopisch Plateau, westelijk van de Great Rift Vallei, ook de Grote Afrikaanse Slenk genoemd. Een langgerekte tectonische breuklijn van Syrië tot Mozambique over 6400 km die de Nubische plaat in het westen en de Somalische plaat in het oosten scheidt. De breedte varieert van 30 tot 100 km, de diepte van enkele honderden tot duizenden meters. Dit geografisch gegeven is heel belangrijk voor het uitzicht van deze omgeving.
Wij trekken naar de Eco Omo Safari Lodge, een groot afgelegen resort, in handen van Italianen. De lodge moet er al enkele jaren staan, maar alles is in orde, ensuite sanitair en douche, keurige bedden voorzien van muskietennetten, we moeten onze eigen netten niet ophangen.
De tuin rondom de hutjes is weelderig groen met een grote diversiteit aan bomen en bloeiende planten. Ook in onze tuin staan bananen en ‘false banana’, de Ethiopische banaan of de enset. Die valse bananenbomen leveren geen eetbare vruchten maar toch voeden ze meer dan 20 miljoen mensen. Er wordt een pulp gemaakt van de bladeren en het hart van de stam, dat kan gebruikt worden als meel voor brood, porridge en soep en de ondergrondse knollen worden gekookt als aardappels. De bladeren worden dan weer gebruikt als dakbedekking, matten, verpakkingsmateriaal of dierenvoeder.
Maar we stellen de enset-gerechten nog even uit, geen kocho of bulla. En bij onze lunch blijkt al dat de keuken erg goed is, zoals we in de gids gelezen hebben. Minestrone met lekker brood, ook dat belooft.
Morgen bezoeken we enkele afgelegen dorpen van de verschillende etnische volken in deze streek. Bij het inchecken aan de receptie kregen we oordopjes aangeboden, daar zal wel een reden voor zijn.