De weg van Jinka naar Konso ligt erbij als een plak Gruyère kaas, een patchwork van gaten in een netwerk van asfalt. De regens van de voorbije dagen hebben de akkers zacht gemaakt, geschikt om te ploegen. We zien overal boeren rondlopen met de ploeg over de schouder op weg naar hun akkertjes.
En yes, plots landt er een sprinkhaan, een desert locust, op onze ruitenwisser. Een achtergebleven exemplaar, ik zie d’r nog enkele fladderen. Volgens de chauffeur zijn ze in de omgeving geweest, maar wij zien het niet echt aan het landschap, geen kaalgevreten woestenij. ‘Ze hebben hier gespoten’, meent Bahabtu.
Bij de afslag naar Dimeka en Turmi, volgen we een grindweg, die 17 km ver tot aan volgend dorp, Alduba, dwars door het land van de Banna mensen voert. De Banna zijn verwant aan de grotere stam, de Hamer. Hun taal is bijna gelijk, lijk Amerikaans en Engels Engels. Maar zij zijn echte boeren, minder afhankelijk van vee. Zij kweken meer gevarieerde teelten, ook groenten en fruit, bananen, papaya en mango. De vrouwen naast de weg, die naar de zaterdagmarkt van Dimeka stappen hebben dezelfde haarsnit, een soort schouderlange dreadlocks ingewreven met een mengsel van okerkleurige klei en boter. Op het voorhoofd een recht geknipte pony. Je vraagt je af wie in deze temperaturen zijn haar insmeert met boter. Ik vraag of ik er even aan mag voelen, maar je hebt je handen direct vol smerige rode smurrie, en in ruil moet ik dan een armbandje kopen. Heel wat mannen slenteren naast de weg met een machinegeweer onder de arm, ‘niets kwaad in gedachten’, zegt de chauffeur, ‘Nice people’. ‘You wanna make picture?’ Liever niet, ik heb een gerede schrik voor machinegeweren.
In Dimeka worden we opgewacht door een jonge twintiger, een verstandige Hamer jongen, modern gekleed in jeans en T-shirt, vers afgestudeerd aan de universiteit van Dahir Bar, Kerouin is zijn naam. We bezoeken eerst de beestenmarkt, 400 m buiten het centrum. Honderden geiten en tientallen koeien worden aangevoerd. Soms één geit aan een lijntje, soms een koppel, ofwel een vrachtwagen vol. Ze worden één voor één gewogen aan een hangweegschaal.
Een gemekker en geblaat langs alle kanten, en vooral een mannenbedoening. Maar je moet goed kijken, want alle mannen dragen mini-rokjes. De beestenmarkt is Hamer business. Een geweldig kleurrijke bedoening, mini-rokje dus, bloot bovenlijf of omslagdoek, maar velen hebben de bovenkledij ingeruild voor een haltertopje, een T-shirt of een polo. Vooral de voetbaltruitjes van de grote Europese ploegen zijn in trek. De haarsnit van de mannen is een hoog opgeschoren crew cut met boven op de schedel een fantasietje, een knotje, een hanenkam, enkele vlechtjes, wit of rood gekleurd, en een veer of een andere kleurig prulletje d’r in. En vooral kralen, een hoofdband, armbanden, halssnoeren, geel koperen ringen om de bovenarmen, alles zo kleurrijk mogelijk. Ik heb het over de mannen dus. De vrouwen hebben een dreadlock cut met een gel van okerboter en oorspronkelijk hing er soms een geitenvelletje over hun borsten. Dat is ook al vaak ingeruild voor een T-shirt of topje, de moderne tijd? En iedereen gebruikt veel sieraden, zelfs de tuinmannen in onze lodge dragen enkel een lendendoek, maar verder koperen ringen rond de bovenarmen, kleurrijke kralen rond de hals en polsen en vele sieraden in de geperforeerde oren. Op de markt wordt de ene na de andere koop afgeslagen met een luide klets. Enkel geiten en runderen. Je kan je geen kleurrijker mensenmassa voorstellen. Heel wat, vooral jongere, mannen lopen hand in hand. Herenliefde ? ‘Nee hoor’, zegt Bahabtu,’ gewoon vrienden, mannen onder elkaar. Homofilie wordt in ons land niet getolereerd. Als je een gay person vermoordt omdat je je bedreigd voelt, doet niemand je wat’. Overigens een verstandig man, onze chauffeur.
Dan de echte zaterdagmarkt. Hamer vrouwen sleuren de waren aan, in zakken op hun rug, grote kalebassen met melk, honing (van de Banna) of boter. De granen die verhandeld worden zijn vooral sorghum, kafferkoren, en maïs. Je kan dat aan de molen laten malen en dan het meel verkopen. Verder staan o.m. pruimtabak, okerpoeder, pellen van koffiebonen, kalebassen en brandhout uitgestald. Het is geweldig druk, erg local, de mensen doen gewoon hun ding. We kunnen hier en daar een praatje maken, met mannen over voetbal, twee dames doen elkaars haar, enkele mooie ‘moderne’ vrouwen willen hun Engels uitproberen, … De markt is geen toeristenval, je ziet ook bijna geen toeristen. ‘Te laat op het seizoen’, zegt gids Kerouin. Toch lopen we een zijstraat in met souvenir’shops’, op eigen verzoek trouwens, Anita zoekt een belt van kralen. Een jongetje van 12 troont me fier mee naar zijn winkel, hij is fan van Lukaku en Benteke, black like me.
We vragen Kerouin, de promovendus in Business Management of hij deelneemt aan de rituelen van o.m. de Bull Jumping. ‘Liever niet’, zegt hij ‘ik denk daar anders over. Maar ik doe het uit respect voor mijn ouders en mijn familie’. (Later meer over dat bull jumpen). Het gesprek gaat verder in de wagen. Onze Ethiopische chauffeur heeft veel problemen met die tribale culturen. Jonge mensen gaan naar de universiteit, of werken in de grote steden, of migreren naar het buitenland, maar als ze hun ouders of dorp bezoeken moeten ze in een geitenvelletje lopen en in een grashut op de grond slapen. Zo gaat dit land niet vooruit. De jeugd wordt zo terug gezogen in de primitieve culturen, bull jumping, vrouwen afranselen, besnijdingen en andere mutulaties, zijn horrible, make me vomit. Ze drinken en wassen hun ogen in een rivier waar hun vee in pist en schijt. Daarom hebben we al die oogziekten, mensen zijn al op jonge leeftijd blind. De levensverwachting van deze vrouwen is 46 jaar, je gaat dood voordat je het leven beleefd hebt. Maar omgekeerd, er zijn jongeren die naar goede boarding scholen gestuurd worden, privé internaten, maar na enkele maanden terug thuis zijn omdat ze de geur van hun dieren missen en liever kudden hoeden. Jonge mensen emigreren naar het buitenland en twitteren of zetten op hun Facebook Wall ‘I love my culture’. Maar ze zitten hoog en droog en doen verder niets. Zo zal onze vooruitgang maar traag verlopen. Overigens moet gezegd zijn dat onze chauffeur een verstandig man is, een optimist, een positivist.
Vanavond worden we nog opgehaald door een jonge Hamer jongen die ons zijn dorp wil tonen. Hij studeert IT in Jinka maar zoekt nog sponsoring om zijn studies af te werken. De Hamer zijn echte agro-pastoralisten, veehoeders, herders. Naast hun vee, telen ze nog wat sorghum en maïs, maar enkel het levensnoodzakelijke. Hun andere levensmiddelen ruilen ze op de markt voor geiten.
Hun huizen zien en dan ook meer provisoir uit, alhoewel ze niet meer trekken. De geitenstapel wordt in gemeenschap gehouden, niemand heeft een idee van hoeveel geiten hier rondlopen, het moeten er honderden zijn. De hutten in gras staan op een omheind erf bijeen per familie, de drie generaties, nonkels en tantes, …Er zijn enkel vrouwen in het dorp, bezig met de dagelijkse besognes, onderhoud, koken, kinderen oppassen, handwerk. De mannen zijn uit werken in de ‘bush’. In een van de hutten zit een groep vrouwen gezellig bijeen, en drinken zelfgebrouwen sorghumbier, dat doen ze enkel op marktdagen.
Ik mag proeven, en dat doe ik ook, hoewel ik geen bierdrinker ben, maar je moet iets inzetten om bij de vrouwen in de smaak te vallen, in dit geval dus een troebel, modderig drankje drinken uit een plastic pot. Het is voor mij bijna ongelooflijk hoe een jongeman als onze gids hier letterlijk uit het rode stof is gekropen en 150 km verderop informatica is gaan studeren. Hij is nu wel een vreemde in zijn dorp, zeker nu hij zijn geitenvelletje en sieraden ingeruild heeft voor een jeans en T-shirt om bezoekers rond te leiden. Ooit hoopt hij iets te kunnen veranderen in het dorp. Nu al helpt hij met het aanleren van Engels en met bemiddelen voor zijn stam als er weer eens een dispuut met een naburige stam rond veeroof moet beslecht worden in Addis. Of nog maar eens een voorbeeld van hoe de jonge generatie zal clashen met de traditie.